Ga rechtstreeks naar de inhoud van deze website

Veelgestelde vragen

Wat is een gestationele trofoblastziekte?

Gestationele trofoblastziekten (Gestational trophoblastic disease – GTDs) vormen een groep zeer zeldzame aandoeningen die ontstaan tijdens of na een zwangerschap. 

Ze ontstaan vanuit een abnormale ontwikkeling van de trofoblastcellen na de bevruchting. Deze trofoblastcellen omringen de bevruchte eicel en zorgen voor de aanhechting aan de uteruswand. Vanuit deze cellen ontwikkelt zich de placenta. 

GTDs vormen een uitgebreid spectrum van ziektes gaande van goedaardige molazwangerschappen tot kwaadaardige invasieve vormen. Gezien de zeldzaamheid van deze ziektes is een centrale registratie en opvolging essentieel. Hierdoor kan de diagnose optimaal gesteld worden, kan de meest geschikte opvolging vastgelegd worden en kan, indien nodig, tijdig behandeling opgestart worden. Bijkomend draagt het register ook bij aan het onderzoek naar en de kennis over GTDs.

Indien de diagnose en behandeling correct gebeurd, zijn de vooruitzichten uitstekend, met een genezingspercentage van meer dan 98%.

Meer informatie over de verschillende types van trofoblastziekten kan gevonden worden in de sectie ’Classificatie van de verschillende soorten trofoblastziekten’.

 

Classificatie van de verschillende soorten trofoblastziekten

  • Molazwangerschap (hydatidiforme mola)
Dit is de meest voorkomende vorm en vertegenwoordigt ongeveer 80% van alle diagnoses. Het is een zeldzame aandoening, met een incidentie van circa 1 op 1,000 zwangerschappen in Europa. 

Een molazwangerschap ontstaat ten gevolge van een genetisch onevenwicht tijdens de bevruchting. Dit leidt tot een abnormale proliferatie van het trofoblastweefsel, wat de normale ontwikkeling van de placenta en het embryo verhindert. Het weefsel vormt met vocht gevulde cystes, die bij echografie een karakteristiek ‘druiventros’ aspect vertonen.

Er bestaan twee types molazwangerschappen:
 
  • Complete mola
Bij een complete mola wordt een oöcyt zonder materneel genetisch materiaal bevrucht door een spermacel. Dit DNA kan verloren zijn tijdens de oögenese of op het moment van de bevruchting. Het aanwezige paternele haploïde DNA dupliceert vervolgens tot een diploïd karyotype. In 90% van de gevallen is het karyotype 46XX, in de overige 10% is het 46XY, meestal van dispermische oorsprong. 

Door het ontbreken van materneel DNA kan er geen levensvatbaar embryo ontwikkelen. Echografisch kan er geen embryonaal weefsel vastgesteld worden.

In zeldzame gevallen kan een complete mola voorkomen samen met een normaal lid in een tweelingzwangerschap. Deze zwangerschappen eindigen over het algemeen in een miskraam, een levende geboorte van het gezonde lid wordt in slechts 40% van gevallen beschreven.
 
  • Partiële mola
Een partiële mola ontstaat bij de bevruchting van een normale oocyt door twee spermacellen of door één spermacel met een gedupliceerde set paterneel DNA. Het resulterende karyotype is over het algemeen 69XXX of 69XXY. Echografie kan initieel een embryo en placentair weefsel tonen, maar beide vertonen structurele afwijkingen. 

Door deze afwijkingen is de zwangerschap niet levensvatbaar en resulteert deze over het algemeen in een miskraam.

In zeldzame gevallen kan een complete mola voorkomen samen met een normaal lid in een tweelingzwangerschap. Deze zwangerschappen eindigen over het algemeen in een miskraam, een levende geboorte van het gezonde lid wordt in slechts 40% van gevallen beschreven.

 

Gestationele trofoblastische neoplasie (GTN)

Binnen het spectrum van gestationele trofoblastische neoplasies zijn er verschillende types beschreven:
 
  • Invasieve mola
Een invasieve mola ontstaat meestal vanuit een complete mola, maar zich in zeldzame gevallen ook ontwikkelen uit een partiële mola. Hierbij transformeert een initieel benigne aandoening naar een maligne vorm. Ongeveer 15-20% van de vrouwen met een complete mola en ongeveer 3% met partiële mola ontwikkelt een invasieve mola.

Bij deze aandoening is er een invasie van het molaire weefsel in het myometrium, wat een risico op een uterusperforatie met zich meebrengt. 

Zonder behandeling kan de ziekte zich uitbreiden naar de omliggende pelviene structuren. 

Patiëntes presenteren typisch met abnormale uteriene bloedingen en abdominale pijn. 
 
  • Gestationeel choriocarcinoom (GCC)
Een choriocarcinoom ontwikkelt zich over het algemeen vanuit een complete mola (~50%), maar het kan ook ontstaan na een niet-molaire miskraam (~25%), een normale (~22.5%) of een ectopische zwangerschap (~2.5%). De incidentie wordt geschat op ongeveer 1 – 9 per 40.000 zwangerschappen. Ongeveer 3% van de vrouwen met een complete mola en 0.5% van de vrouwen met een partiële mola zullen een choriocarcinoom ontwikkelen.

Dit is een agressieve en snelgroeiende maligniteit met een vroege hematogene metastasering. Desondanks is deze tumor zeer gevoelig voor chemotherapie en is er meestal een uitstekende prognose. 

Patiëntes presenteren vaak met abnormale uteriene bloedingen. Andere symptomen hangen meestal samen met de metastatische lokalisaties, over het algemeen in de longen, lever, vagina, nieren of het centraal zenuwstelsel.

De diagnose wordt meestal gesteld op basis van verhoogde hCG waardes, in combinatie met het klinisch beeld. 
 
  • Placentale site trofoblastische tumor (PSTT)
Dit type GTN is nog zeldzamer en is verantwoordelijk voor ongeveer 2% van alle gevallen. Het ontstaat vanuit intermediaire trofoblastcellen en ontwikkelt meestal vanuit een normale zwangerschap. Het werd echter ook beschreven na een complete mola (16%) of een niet-molaire miskraam (13%).

In tegenstelling tot de andere vormen van GTNs zijn PSTTs traag groeiend, met een gemiddeld interval van ongeveer 3.4 jaar tussen de indexzwangerschap en het ontwikkelen van de ziekte. 

De tumor blijft meestal beperkt tot de uterus, maar er kan soms wel invasie van het myometrium optreden.

Patiëntes presenteren over het algemeen met abnormale uteriene bloedingen of amenorroe, vaak geassocieerd met typisch slechts licht gestegen hCG waardes.

PSTTs kunnen relatief resistent zijn aan chemotherapie. Aangezien de ziekte vaak gelokaliseerd is, zonder metastasen op afstand, kan een hysterectomie overwogen worden in bepaalde patiëntes. 
 
  • Epithelioïde trofoblastische tumor (ETT)

Een ETT is een extreem zeldzame vorm van GTN die meestal ontwikkelt na een normale zwangerschap. Een klein percentage ontstaat echter ook uit een molazwangerschap (16%) of een spontane miskraam (16%). Omdat dit een traag groeiende tumor is, is er vaak een lang interval, soms zelfs jaren, tussen de initiële zwangerschap en het ontstaan van symptomen.

De diagnose wordt meestal gesteld na abnormale uteriene bloedingen of amenorroe. Net zoals bij PSTTs zijn de hCG waardes typisch lager dan in andere GTNs.

ETTs vertonen frequent resistentie tegen chemotherapie. Door het gelokaliseerde karakter van de ziekte zonder metastasen op afstand, kan een hysterectomie overwogen worden bij sommige patiëntes.

Diagnose

De diagnose van een molazwangerschap of een gestationele trofoblastziekte (GTN) kan uitdagend zijn. 

Veel symptomen, zoals ochtendmisselijkheid, vaginale bloedingen of abdominale pijn zijn ook frequent in een normale zwangerschap. Daarom zijn bijkomende onderzoeken nodig om de diagnose te stellen. 
 
  • Echografie

Echografie is de belangrijkste beeldvormingsmethode voor de diagnose van een molazwangerschap. 

Bij een complete molazwangerschap ontbreken embryonale en normale placentaire structuren. 
Het typische echografische beeld bestaat uit een echogene intra-uteriene massa met verschillende cystische holtes, vaak herkenbaar als een ‘druiventros’, en de afwezigheid van een gestationele zak. 
Het is essentieel om te bepalen of er myometriale invasie aanwezig is aangezien dit het risico op persisterende ziekte of een recidief na curettage kan voorspellen. Daarnaast moet ook het uteriene volume ingeschat worden omdat dit correleert met de tumorgrootte en een rol speelt in het bepalen van het risicoprofiel. 

Bij een partiële molazwangerschap kan er embryonaal of placentair weefsel gezien worden, maar beide zijn abnormaal en niet levensvatbaar. 
Mogelijke embryonale afwijkingen omvatten kenmerken van triploïdie, hydrocephalus, schisis, syndactylie of een intra-uteriene groeirestrictie. De placenta vertoont vaak een verdikt en cystisch aspect.

In zeer zeldzame gevallen (1 op 20.000 tot 10.000 zwangerschappen) kan een complete of partiële mola voorkomen samen met een normaal lid in een tweelingzwangerschap. Deze zwangerschappen eindigen over het algemeen in een miskraam, een levende geboorte van het gezonde lid wordt in slechts 40% van gevallen beschreven.

De sensitiviteit van echografie voor de detectie van molazwangerschappen is beperkt, voornamelijk in de vroege zwangerschap. Hierdoor zijn zowel vals-negatieve als vals-positieve resultaten mogelijk. Bij het stellen van de definitieve diagnose is het daarom essentieel om de bevindingen te correleren met de hCG waardes en histopathologisch onderzoek van curettage of miskraamweefsel.
 
  • hCG waardes
Bij patiëntes met een GTD of GTN zijn de serumconcentraties van het humaan choriongonadotrofine (hCG) doorgaans hoger dan verwacht voor de gestatieduur. 

Deze verhoogde waardes verklaren mee de symptomen van ernstige nausea en braken, hypertensie of hyperthyreoïdie die in sommige patiëntes gezien worden. In vrouwen die eerder de diagnose van een molazwangerschap gekregen hebben moet een GTN vermoed worden als de hCG waardes stijgen of onvoldoende dalen in de opvolgingsperiode.

 
  • Histopathologisch onderzoek
Histopathologisch onderzoek vormt de hoeksteen van de diagnose van een gestationele trofoblastische ziekte, aangezien het de definitieve diagnose vastlegt en een accurate classificatie van de trofoblastische letsels toelaat.

Daarom is het essentieel dat al het curettage- of miskraamweefsel systematisch onderzocht wordt door een gespecialiseerde patholoog. Sommige molazwangerschappen zijn namelijk klinisch en radiologisch niet te onderscheiden van een niet-molaire miskraam. Indien nodig kan bijkomend genetisch onderzoek de diagnose verder verfijnen en toelaten om te differentiëren tussen een complete en partiële molazwangerschap.

Accurate en tijdige pathologische diagnose is essentieel om de meest optimale opvolging en, indien nodig, onmiddellijke behandeling te verzekeren. Daarom wordt vanuit het Belgisch register voor trofoblastziekten systematisch een anatomopathologische review gedaan.
Wanneer er, op basis van een echografie, een vermoeden bestaat van een molazwangerschap, zijn er bijkomende onderzoeken nodig om de diagnose te bevestigen:
 
  • Bloedonderzoek, inclusief een bepaling van het zwangerschapshormoon (hCG) en, indien nodig, een controle van de schildklierfunctie
  • Anesthesie verwittigen over het risico op bloedingen
  • Algemeen klinisch en gynaecologisch onderzoek
  • Echogeleide zuigcurettage om het afwijkende weefsel uit de baarmoeder te verwijderen
  • Tijdens de curettage wordt het aangeraden om een uterotonicum toe te dienen
  • Anti-D prophylaxe moet toegediend worden in rhesusnegatieve patiëntes

In dit stadium is bijkomende beeldvorming doorgaans niet noodzakelijk.

De definitieve diagnose wordt gesteld door microscopisch onderzoek van het curettageweefsel. Bevestiging van de diagnose zal gebeuren via systematische review van de experten van het Belgisch Register voor Trofoblastziekten. 

Indien een partiële hydatidiforme mola vermoed wordt raden we aan om een karyotypering uit te voeren om de pathologische diagnose te bevestigen. 

 
Diagnostic and management pathway for (first) HM. aBest practice. CXR, chest X-ray; hCG, human chorionic gonadotropin; HM, hydatidiform mole; US, ultrasound. (Lok C. et al. EOTTD-ESGO-GCIG-ISSTD Guidelines for GTD. JCO 2025.)

Complete hydatidiforme mola
Een complete mola wordt histologisch gekenmerkt door vergrote, oedemateuze, hydropische chorionvlokken met vaak cisternevorming. Daarnaast is er een uitgesproken, meestal circumferentiële, villeuze trofoblastproliferatie met cytologische atypie. 
In een zeer vroege complete mola zijn deze typische histologische kenmerken minder ontwikkeld en is de trofobastproliferatie meer beperkt. 

In de regel zijn er geen foetale weefsels aanwezig. 

Immunohistochemisch ontbreekt de expressie van p57 in de villeuze stromale cellen en in het cytotrofoblast.

 
Partiële hydatidiforme mola
Een partiële mola vertoont doorgaans een mengbeeld van twee populaties chorionvlokken: enerzijds kleine, fibrotische vlokken en anderzijds vergrote, onregelmatig gevormde vlokken met een wisselende mate van oedeem en hydrops. Er is een lichte tot matige circumferentiële trofoblastproliferatie. Cisternevorming en trofoblastische pseudoinclusies komen vaak voor. 

Foetale bloedvaten en gekernde rode bloedcellen zijn vaak aanwezig.

Immunohistochemisch is er een bewaarde expressie van p57 in de villeuze stromale cellen en in het cytotrofoblast. 

De morfologische kenmerken van PHM zijn niet volledig specifiek en kunnen een aanzienlijke overlap vertonen met die van een (vroege) complete hydatidiforme mola, hydropische abortus, trisomiesyndromen en andere chromosomale afwijkingen, placentaire mesenchymale dysplasie en tweelingzwangerschappen met een complete hydatidiforme mola en een co-existerende normale foetus.

 
Gestationeel choriocarcinoom
Choriocarcinoom wordt gekenmerkt door infiltratieve, destructieve, soliede aggregaten van mononucleair cytotrofoblast en intermediair trofoblast, omgeven door multinucleair syncytiotrofoblast met uitgesproken cytologische atypie en een hoge mitotische activiteit. Er is vaak sprake van bloeding, necrose en lymfovasculaire infiltratie.

Choriocarcinoom kan samengaan met een epithelioïde trofoblastische tumor en een placentale site trofoblastische tumor.

 
Placentale site trofoblastische tumor (PSTT)
PSTT bestaat uit een infiltratieve proliferatie van implantatie type intermediaire (extravilleuze) trofoblastcellen, die in nesten, strengen en diffuse aggregaten groeien tussen de myometriale gladde spiercellen. 

De tumorcellen zijn typisch groot, polyhedraal en meestal mononucleair, met ruim eosinofiel tot helder cytoplasma en variabele nucleaire pleiomorfie. De mitotische activiteit is eerder laag (1–2 mitoses/mm2).

Kenmerkend is de prominente invasie van bloedvaten, waarbij tumorcellen de vaatwand vervangen (zgn. “vascular remodeling” analoog aan normale implantatie) Daarnaast kunnen necrose en hemorragie aanwezig zijn.

 
Epithelioïde trofoblastische tumor (ETT)
ETT is een neoplasie van het chorion-type intermediair trofoblast. Het toont histologisch typisch een nodulair, expansief groeipatroon met grote nesten en strengen van relatief uniforme epithelioïde trofoblastcellen, vaak met duidelijke celgrenzen. 

De tumorcellen zijn mononucleair, middelgroot en epithelioïd, met matig eosinofiel tot helder cytoplasma en een vaak “squamoïd” (carcinoomachtig) aspect. De mitotische activiteit is zeer variabel.

Kenmerkend is de aanwezigheid van extracellulair eosinofiel, hyalien (fibrinoïd) materiaal centraal in de nesten of tussen de tumorcellen. Vaak is er uitgebreide en geografische necrose.
Trofoblastziekten zijn zeldzaam, wat de diagnose, behandeling en opvolging complex kan maken. 

Het Belgisch Register voor Trofoblastziekten heeft daarom als doel om de kwaliteit van de zorg te verbeteren en de medische kennis over deze aandoeningen verder uit te bouwen. Met de toestemming van de patiënt en in nauwe samenwerking met de behandelende arts worden de klinische gegevens opgenomen in het register. 

Dit maakt een systematische registratie van alle gevallen mogelijk, faciliteert een gestructureerde opvolging van patiëntes en biedt ondersteuning bij het bepalen van de optimale opvolging en, indien nodig, behandeling.

Door deelname aan het register dragen zowel patiëntes als zorgverleners bij aan het verbeteren van de kwaliteit van de zorg en de toekomstige wetenschappelijke vooruitgang in dit domein.

Samen werken we aan betere zorg en meer kennis!

U kunt uw patiënt registreren via de ‘Registreer een patiënt’ knop bovenaan deze pagina.
Door de zeldzaamheid van gestationele trofoblastziekten worden de meeste gynaecologen en pathologen slechts sporadisch geconfronteerd met deze aandoeningen. Dit beperkte aantal casussen kan een uitdaging vormen voor het opbouwen en behouden van de expertise.

Centralisatie van de zorg is daarom essentieel. Door de opvolging van de patiëntes te bundelen binnen gespecialiseerde centra kan de diagnostiek, behandeling en opvolging volgens de meest recente inzichten verlopen. Deze aanpak leidt tot een meer uniforme en kwalitatief hoogwaardigere zorg. 
Registratie van uw patiënt biedt verschillende onmiddellijke voordelen voor u als behandelende arts. 

Registratie van uw patiënt verzekert:
 
  • Review van de diagnose van uw patiënt door gespecialiseerde pathologen
  • Review van het dossier van uw patiënt door gespecialiseerde gynaecologen om de optimale opvolging en, indien nodig, meest geschikte behandeling te bepalen
  • Rechtstreeks contact met een referentiecentrum waarbij zowel u als uw patiënt terecht kunnen voor steun of vragen tijdens haar opvolging
U mag altijd de verantwoordelijke personen in uw referentiecentrum contacteren in geval u vragen hebt na de diagnose van een molazwangerschap of een GTN bij uw patiënt. 

De contactpersonen van het Vlaamse referentiecentrum zijn: 

Tine Op de beeck                   016/342 923           tine.opdebeeck@uzleuven.be
Ellen Reynders                         016/342 996           ellen.reynders@uzleuven.be
Joke De Roover                       016/347 419           joke.deroover@uzleuven.be
 

Behandeling

De nood voor behandeling is afhankelijk van de exacte diagnose die gesteld werd en de verdere evolutie van de ziekte.
 
  • Molazwangerschap
Na de diagnose van een molazwangerschap vormt een zuigcurettage onder echografische begeleiding de basis van de behandeling. Indien er reeds een curettage werd uitgevoerd in het kader van een miskraam is een tweede procedure over het algemeen niet nodig.
Ongeveer 15 dagen na de curettage kan er een echografie uitgevoerd worden om na te gaan of de uteriene caviteit leeg is.

Na de curettage is nauwgezette opvolging van de hCG waardes essentieel. Controlebloednames gebeuren bij voorkeur minstens tweewekelijks. Bij de meerderheid van de patiëntes zien we een snelle daling tot een normaal niveau. In dit geval is er geen verdere behandeling nodig.

Wanneer de hCG waardes onvoldoende dalen of opnieuw beginnen stijgen, is bijkomend onderzoek aangewezen. Echografisch kan nagegaan worden of er eventueel nog restweefsel aanwezig is en of een nieuwe curettage noodzakelijk is. Indien er geen restweefsel gevonden wordt is er bijkomend onderzoek nodig om na te gaan of er sprake is van een gestationele trofoblastische neoplasie.

Het Belgisch Register voor Trofoblastziekten zal u hierin ondersteunen door u een gepersonaliseerd advies voor de nodige verdere onderzoeken en, indien nodig, behandeling voor uw patiënt te bieden. 
 
Diagnostic pathway for (suspected) HM to GTN. aBest practice. CHM, complete hydatidiform mole; GTD, gestational trophoblastic disease; GTN, gestational trophoblastic neoplasia; hCG, human chorionic gonadotropin; HM, hydatidiform mole; PHM, partial hydatidiform moles. (Lok C. et al. EOTTD-ESGO-GCIG-ISSTD Guidelines for GTD. JCO 2025.)
 
  • Gestationele trofoblastische neoplasie (GTN)
Na de diagnose van een GTN is een behandeling meestal noodzakelijk. De voorgestelde behandeling zal bepaald worden afhankelijk van de WHO/FIGO score. 

Hiervoor worden er een aantal prognostische factoren in rekening genomen om het risico op resistentie tegen monochemotherapie te bepalen. 
 

De totale risicoscore wordt bekomen door sommatie van de individuele scores. 
Een score <7 wijst op een ziekte met een laag risico, waarbij een score ≥7 geassocieerd is met een hoog-risicoziekte. 
Deze indeling wordt gebruikt om een keuze te maken tussen single-agent en multi-agent chemotherapie. In geval van een recidief dient de risicoscore opnieuw bepaald te worden op basis van de gegevens van de patiënt op die moment.

Het WHO/FIGO scoresysteem is niet geschikt voor het bepalen van de optimale behandeling voor een placentale site trofoblastische tumor (PSTT) en een epithelioïde trofoblastische tumor (ETT). Deze zeer zeldzame subtypes zijn minder gevoelig aan chemotherapie en vaak beperkt tot de uterus waardoor een chirurgische behandeling sneller overwogen wordt.

 
Postmole GTN staging. aBest practice. CT, computed tomography; CXR, chest X-ray; GTD, gestational trophoblastic disease; GTN, gestational trophoblastic neoplasia; hCG, human chorionic gonadotropin; MRI, magnetic resonance imaging; TFT, thyroid function test; US, ultrasound. (Lok C. et al. EOTTD-ESGO-GCIG-ISSTD Guidelines for GTD. JCO 2025.) 
We adviseren sterk om de curettage uit te voeren onder echografische begeleiding. Op deze manier kan verzekerd worden dat al het weefsel verwijderd wordt, wat het risico op een uteriene perforatie vermindert.

Door de belangrijke vascularisatie van molaweefsel moet het bloedingsrisico zoveel mogelijk ingeperkt worden. Het is aangewezen om de anesthesiologen op voorhand te informeren over het verhoogde risico op hemorrhage. Oxytocine kan toegediend worden om contracties van de uterus te stimuleren en bloedverlies te verminderen.

In Rh-negatieve vrouwen moet Rh-(D) immunoglobulines toegediend worden om alloimmunisatie te vermijden. 
Aangezien de behandeling afhankelijk is van de individuele situatie van elke patiënt, is het advies van een referentiecentrum hiervoor vereist. Bij de beslissing wordt rekening gehouden met verschillende factoren, zoals het type GTN, de leeftijd en de testresultaten van uw patiënt.

De voorgestelde behandeling zal bepaald worden afhankelijk van de WHO/FIGO score. Hiervoor worden er een aantal prognostische factoren in rekening genomen om het risico op resistentie tegen monochemotherapie te bepalen. Ziektes met een laag risico hebben een score <7 en worden behandeld met monotherapie. Bij een hoger risico (score ≥7) wordt er multi-agent chemotherapie gegeven en gebeurt de behandeling in een gespecialiseerd centrum. 
 
Medische behandeling
De belangrijkste medicatieschema’s zijn:

Methotrexaat (MTX)
  • Intramusculaire injectie op dag 1, 3, 5 en 7
  • Orale inname foliumzuur op dag 2, 4, 6 en 8 (telkens 24-30h na MTX) om de ernst van de nevenwerkingen, voornamelijk nausea, braken en stomatitis, te verminderen
  • Behandeling wordt elke twee weken toegediend tot normalisatie van het hCG, gevolgd door minstens twee cycli consolidatietherapie
  • Afhankelijk van het verwachte bloedingsrisico kan het aangewezen zijn om uw patiënt te hospitaliseren voor de eerste toediening(en)
     
EMA-CO

Dit schema bestaat uit een combinatie van verschillende behandelingen:
 
 
  • Behandeling wordt elke twee weken toegediend tot normalisatie van het hCG, gevolgd door minstens twee cycli consolidatietherapie
  • Een ander behandelingsschema kan, afhankelijk van de situatie van uw patiënt, voorgesteld worden. In dit geval zal het referentiecentrum dit gedetailleerd met u overlopen
  • Afhankelijk van de richtlijnen in het behandelende ziekenhuis wordt uw patiënt mogelijks opgenomen voor deze behandeling


    Chirurgische behandeling
    • Tweede curettage: dit kan overwogen worden als er nog overblijvend trofoblastweefsel gezien wordt in uw baarmoeder. Voor GTNs geeft dit een genezingspercentage van ongeveer 40%
    • Hysterectomie: deze behandeling kan overwogen worden bij vrouwen die geen kinderwens meer hebben en waar de ziekte beperkt blijft tot de baarmoeder.
       
Aarzel niet om ons te contacteren indien u vragen hebt over de behandeling van uw patiënt.

 
Postmole GTN treatment. aBest practice. FIGO, International Federation of Gynecology and Obstetrics; GTD, gestational trophoblastic disease; GTN, gestational trophoblastic neoplasia; MDT, multidisciplinary team. (Lok C. et al. EOTTD-ESGO-GCIG-ISSTD Guidelines for GTD. JCO 2025.)
 
High-risk GTN treatment to remission. aBest practice. bMost often used, but other multichemotherapy schedules are possible, reassuring on fertility; in selected cases, referral to the fertility specialist might be appropriate. cEvidence uncertain. CO, cyclophosphamide and vincristine; CT, computed tomography; EMA, etoposide, MTX, and actinomycin-D; EP, etoposide and cisplatin; FIGO, International Federation of Gynecology and Obstetrics; GTD, gestational trophoblastic disease; GTN, gestational trophoblastic neoplasia; hCG, human chorionic gonadotropin; IT-MTX, intrathecal MTX; MRI, magnetic resonance imaging; MTX, methotrexate. (Lok C. et al. EOTTD-ESGO-GCIG-ISSTD Guidelines for GTD. JCO 2025.)
De mogelijke bijwerkingen worden bepaald door het soort behandeling dat uw patiënt krijgt. Niet elke patiënt ondervindt bijwerkingen en, indien wel, kan de intensiteit hiervan sterk verschillend zijn.

Bijwerkingen die kunnen ontstaan bij verschillende behandelingen zijn onder andere:
 
  • Verlaagd aantal witte bloedcellen (neutropenie), bij neutrofielen <1.5*109/L moet overwogen worden om de start van een nieuwe cyclus uit te stellen. Neupogen kan toegediend worden tot de neutrofielen hersteld zijn. Nadien is het aangeraden om Neupogen wekelijks prophylactisch toe te dienen op dag 5 en, indien nodig, op dag 12.
  • Verlaagd aantal bloedplaatjes (thrombocytopenie), bij thrombocyten <100*109/L moet overwogen worden om de start van een nieuwe cyclus uit te stellen.
  • Nausea en braken
  • Stomatitis, een goede mondhygiëne en het gebruik van een stomatitis cocktail worden sterk aangeraden
  • Fatigue
  • Effecten op de lever of de nieren, het gebruik van salicylaten en NSAIDs moeten vermeden worden
  • Longontsteking (pneumonitis), wees alert voor dyspnea of ademhalingsmoeilijkheden
  • Conjunctivitis, overweeg oogspoeling met Leucovorin (15ml in 30ml NaCl 0.9%) twee- tot driemaal per dag
  • Alopecia

Standaardpremedicatie, inclusief IV hydratatie voor het vermijden van niertoxiciteit, is vereist bij toediening van cisplatinum.
Als de hCG waardes  van uw patiënt stijgen of onvoldoende dalen betekent dit dat de behandeling niet het gewenste effect heeft. Indien dit het geval is zal er een andere behandeling voorgesteld worden. 

Het referentiecentrum zal dit uitgebreid met u bespreken.
U mag altijd de verantwoordelijke personen in uw referentiecentrum contacteren in geval u vragen hebt tijdens of na de behandeling van uw patiënt. 

De contactpersonen van het Vlaamse referentiecentrum zijn: 

Tine Op de beeck                   016/342 923           tine.opdebeeck@uzleuven.be
Ellen Reynders                         016/342 996           ellen.reynders@uzleuven.be
Joke De Roover                       016/347 419           joke.deroover@uzleuven.be
 

Opvolging

Het is essentieel dat u uw patiënt adviseert om zich strikt aan het voorgestelde opvolgingsschema te houden. Monitoring van de hCG waardes is uiterst belangrijk om de evolutie van de ziekte adequaat te beoordelen.
Een stijging van het hCG of een stabilisatie zonder normalisatie kan erop duiden dat er persisterend molaweefsel aanwezig is of dat er een evolutie is naar een gestationele trofoblastische neoplasie (GTN). In beide gevallen is er bijkomend onderzoek nodig om de onderliggende oorzaak en de meest geschikte behandeling te bepalen. 
Het referentiecentrum zal u hierover advies geven op maat van de specifieke situatie van uw patiënt.

In zeldzame gevallen worden vals-positieve hCG waardes gezien door een kruisreactie met heterofiele antilichamen. Dit kan enerzijds verwacht worden bij patiëntes die behandeld worden met chemotherapie en persistent lage, stabiele hCG waardes hebben zonder normalisatie. Anderzijds kan dit gezien worden in patiëntes met een molazwangerschap waarbij de hCG waardes een plateau bereiken onder 50 IU/L. Aangezien heterofiele antilichamen niet uitgescheiden worden in de urine kan een urinaire hCG bepaling in dergelijke gevallen vaak uitsluitsel bieden.
In een gewone zwangerschap is het hormoon hCG (humaan choriongonadotrofine) voornamelijk aanwezig in zijn intacte ’beta’ vorm. Dit is ook de vorm die gemeten wordt door de standaard zwangerschapstesten. In een molazwangerschap of een gestationele trofoblastziekte (GTN) maakt het lichaam echter verschillende vormen van hCG aan.
Naast de intacte vorm worden ook afwijkende varianten geproduceerd, zoals gefragmenteerde of minder geglycolyseerde varianten. Omdat de standaardtesten voornamelijk de normale vorm, die voorkomt in een gewone zwangerschap, detecteren kunnen ze een vals negatief resultaat geven in deze aandoeningen. 
Daarom wordt voor de opvolging altijd het totale hCG gemeten, waarbij alle vormen bekeken worden. 

Om de resultaten goed te kunnen vergelijken is het ook belangrijk dat de bloednames altijd in hetzelfde laboratorium gebeuren. Op deze manier wordt er telkens dezelfde testmethode en normaalwaardes gebruikt.

In bepaalde gevallen kan er ook gevraagd worden om een hCG bepaling te laten doen op een urinestaal. Dit kan nodig zijn als vals-positieve hCG waardes vermoeden worden door kruisreactie met heterofiele antilichamen in het bloed. Aangezien deze antilichamen niet uitgescheiden worden in de urine kan een urinaire hCG bepaling in dergelijke gevallen vaak uitsluitsel bieden.
  • Partiële mola
Om de evolutie van de hCG waardes op te volgen vragen we om minstens éénmaal per twee weken een bloedname te laten doen tot de waardes genormaliseerd zijn. Wat als een normale waarde beschouwd wordt hangt af van de referentiewaardes van het laboratorium waar de analyse gebeurt.

Van zodra de waarde genormaliseerd is moet er binnen de maand nog éénmaal een controle uitgevoerd worden om deze normalisatie te bevestigen.

In de meeste gevallen rondt deze bevestigende bloedname de opvolging van een partiële mola af. In sommige gevallen, bijvoorbeeld wanneer het meer dan 8 weken duurt voor uw hCG waarde normaliseert, is het mogelijk dat we toch aanraden om de hCG waardes nog langer op te volgen.
 
  • Complete mola
Om de evolutie van de hCG waardes op te volgen vragen we u om minstens éénmaal per twee weken een bloedname te laten doen tot de waardes terug normaal zijn. Wat als een normale waarde beschouwd wordt hangt af van de referentiewaardes van het laboratorium waar de analyse gebeurt.

Van zodra de waarde genormaliseerd is, is er toch nog opvolging noodzakelijk via maandelijkse bloednames gedurende 6 maanden.
 
  • Gestationele trofoblastische neoplasie
De opvolging na een GTN is verschillend van deze na een molazwangerschap en is afhankelijk van het risicoprofiel van de ziekte.

Laag-risico ziekte

Na behandeling van een laag-risico GTN is een regelmatige opvolging zeer belangrijk. Van zodra de hCG waardes weer normaal zijn zullen deze maandelijks verder gecontroleerd worden gedurende minstens 1 jaar.

Het is mogelijk dat er op echografie of CT/MRI scan nog afwijkend weefsel gezien wordt. Zolang de hCG waardes normaal blijven is hier echter geen bijkomende behandeling voor nodig.

Het risico op een terugkeer van de ziekte is klein, maar onder andere afhankelijk van:
  •  de exacte diagnose die gesteld werd (het risico ligt bijvoorbeeld iets hoger bij een choriocarcinoom)
  • de aanwezigheid van longmetastasen bij de diagnose

Als de ziekte toch terugkomt gebeurt dit over het algemeen in het eerste jaar. Daarom is een strikte opvolging in deze periode essentieel. Van jaar 2 tot en met jaar 5 gebeurt de opvolging minstens om de zes maanden.

Wanneer uw patiënt opnieuw zwanger zou worden na een behandeling voor een GTN verwachten we dat de hCG waardes ongeveer 6 weken na het einde van de zwangerschap (bevalling, abortus of miskraam) genormaliseerd zijn. Daarom vragen we om op dit moment een extra hCG bepaling te doen om een recidief van de GTN uit te sluiten
 
  • Hoog-risico ziekte
In het verleden was er veel variatie in de richtlijnen over de frequentie en duur van de hCG opvolging na een GTN met een hoger risico. Internationaal is er echter een consensus bereikt om de hCG waardes minstens maandelijks te bepalen gedurende minstens één jaar. Over het algemeen wordt echter een opvolging van 18 maanden aangeraden. Deze maandelijkse opvolging start nadat:
 
  • de behandeling afgerond werd én
  • de hCG waardes gedurende 4 tot 8 weken normaal gebleven zijn tijdens wekelijkse bloednames.

Als de ziekte toch terugkomt gebeurt dit over het algemeen in het eerste jaar. Daarom is een strikte opvolging in deze periode essentieel. Van jaar 2 tot en met jaar 5 gebeurt de opvolging minstens om de zes maanden.

Wanneer uw patiënt opnieuw zwanger zou worden na een behandeling voor een GTN verwachten we dat de hCG waardes ongeveer 6 weken na het einde van de zwangerschap (bevalling, abortus of miskraam) genormaliseerd zijn. Daarom vragen we om op dit moment een extra hCG bepaling te doen om een recidief van de GTN uit te sluiten
Om een betrouwbare opvolging van de hCG waardes te verzekeren moet uw patiënt een zwangerschap vermijden vanaf de diagnose tot het einde van de opvolgingsperiode. Daarom is het belangrijk om anticonceptie voor te schrijven en het belang hiervan duidelijk toe te lichten aan haar.

In de meeste gevallen kan u gewoon een oraal contraceptivum voorschrijven.

In geval er een medische contraindicatie is voor een oraal contraceptivum of indien uw patiënt een andere anticonceptiemethode verkiest kan u veilige en effectieve alternatieven met haar bespreken. De plaatsing van een intrauterien toestel (IUD) is bijvoorbeeld een mogelijkheid van zodra bevestigd is dat de uteriene caviteit leeg is. 
Zelfs na normalisatie van de hCG waardes kan een recidief niet uitgesloten worden, met name in de eerste maanden na normalisatie. Daarom is een strikte opvolging in deze periode essentieel. Gedurende de opvolgingsfase is effectieve anticonceptie vereist en moet de hCG monitoring verder gezet worden.

Een nieuwe zwangerschap leidt tot heropstart van de hCG productie en kan daardoor een recidief maskeren. Dit kan resulteren in een vertraagde diagnose en mogelijks een minder optimale of complexere behandeling.

De duur van de opvolgingsperiode hangt af van de specifieke diagnose van uw patiënt. Meer details hierover vindt u in de sectie ‘Wanneer kan mijn patiënt opnieuw zwanger worden?’.
Na een partiële mola mag uw patiënt opnieuw zwanger worden van zodra haar hCG waarde genormaliseerd is en dit met een tweede test bevestigd werd.

In sommige gevallen, bijvoorbeeld wanneer het langer dan 8 weken duurt voor uw hCG waarde normaliseert, is het mogelijk dat een langere opvolging aangeraden wordt. Dit betekent ook dat een nieuwe zwangerschap gedurende deze verlengde opvolging uitgesteld moet worden.

Na een complete mola wordt een wachttijd van 6 maanden aanbevolen. Tijdens deze periode worden de hCG waardes maandelijks gecontroleerd.
  • Bij normalisatie binnen de 8 weken na de eerste curettage: opvolging en wachttijd tot 6 maanden na de datum van de eerste curettage
  • Bij normalisatie later dan 8 weken na de eerste curettage: opvolging en wachttijd tot 6 maanden na de datum waarop uw hCG voor de eerste maal binnen de normale grenzen lag

Na een gestationele trofoblastziekte wordt een wachttijd van 12 tot 18 maanden na de normalisatie van de hCG waarde en afronding van de chemotherapie aanbevolen. De exacte duur is afhankelijk van de risico-inschatting van uw ziekte. Het referentiecentrum zal uw behandelende arts adviseren over welke wachttijd voor u aangeraden wordt.
U mag altijd de verantwoordelijke personen in uw referentiecentrum contacteren in geval u vragen of bezorgdheden hebt tijdens de opvolgingsperiode na een molazwangerschap of een GTN. 

De contactpersonen van het Vlaamse referentiecentrum zijn: 

Tine Op de beeck                   016/342 923           tine.opdebeeck@uzleuven.be
Ellen Reynders                        016/342 996           ellen.reynders@uzleuven.be
Joke De Roover                       016/347 419           joke.deroover@uzleuven.be
 

Toekomstige vooruitzichten

Zelfs na normalisatie van de hCG waardes kan een recidief niet uitgesloten worden, met name in de eerste maanden na normalisatie. Daarom is een strikte opvolging in deze periode essentieel. Gedurende de opvolgingsfase is effectieve anticonceptie vereist en moet de hCG monitoring verder gezet worden.

Een nieuwe zwangerschap leidt tot heropstart van de hCG productie en kan daardoor een recidief maskeren. Dit kan resulteren in een vertraagde diagnose en mogelijks een minder optimale of complexere behandeling.

De duur van de opvolgingsperiode hangt af van de specifieke diagnose van uw patiënt. Meer details hierover vindt u in de sectie ‘Wanneer kan mijn patiënt opnieuw zwanger worden?’.
Na een partiële mola mag uw patiënt opnieuw zwanger worden van zodra haar hCG waarde genormaliseerd is en dit met een tweede test bevestigd werd. 

In sommige gevallen, bijvoorbeeld wanneer het langer dan 8 weken duurt voor uw hCG waarde normaliseert, is het mogelijk dat een langere opvolging aangeraden wordt. Dit betekent ook dat een nieuwe zwangerschap gedurende deze verlengde opvolging uitgesteld moet worden.

Na een complete mola wordt een wachttijd van 6 maanden aanbevolen. Tijdens deze periode worden de hCG waardes maandelijks gecontroleerd.
  • Bij normalisatie binnen de 8 weken na de eerste curettage: opvolging en wachttijd tot 6 maanden na de datum van de eerste curettage
  • Bij normalisatie later dan 8 weken na de eerste curettage: opvolging en wachttijd tot 6 maanden na de datum waarop uw hCG voor de eerste maal binnen de normale grenzen lag

Na een gestationele trofoblastziekte wordt een wachttijd van 12 tot 18 maanden na de normalisatie van de hCG waarde en afronding van de chemotherapie aanbevolen. De exacte duur is afhankelijk van de risico-inschatting van uw ziekte. Het referentiecentrum zal uw behandelende arts adviseren over welke wachttijd voor u aangeraden wordt.
De chemotherapeutische behandelingen die gebruikt worden hebben geen invloed op de vruchtbaarheid en verhogen het risico op aangeboren afwijkingen niet. We raden patiëntes aan om, na het einde van de behandeling, minstens één jaar te wachten voor ze opnieuw zwanger worden. 
Dit geeft haar lichaam de tijd om eventuele resten van de behandeling volledig te verwijderen en ervan te herstellen. Op die manier kan een nieuwe zwangerschap onder de best mogelijke omstandigheden starten. Het is belangrijk dat u, als behandelend arts, het belang hiervan bij uw patiënt benadrukt.

Sommige bijwerkingen kunnen langdurig aanhouden of permanent zijn. Dit is voornamelijk het geval voor neuropathie, als bijwerking van paclitaxel. Meestal verbeteren deze klachten geleidelijk aan in de maanden na het einde van de behandeling. Soms is het echter mogelijk dat ze niet volledig verdwijnen.

Paclitaxel, etoposide of actinomycine kunnen ook alopecia geven. Bij het teruggroeien van het haar kan uw patiënt opmerken dat het plots een andere structuur heeft. In sommige gevallen is deze verandering van structuur blijvend.

Andere langdurige bijwerkingen van chemotherapie zijn zeldzaam. Als ze toch voorkomen zijn ze meestal mild en makkelijk te tolereren. Aarzel niet om contact met ons op te nemen in geval u of uw patiënt vragen hebt over eventuele nevenwerkingen.
Het risico op een nieuwe molazwangerschap of GTN is ongeveer 1%, wat 10 tot 20 keer hoger is dan in de algemene bevolking. Deze schatting is onafhankelijk van het feit of de patiënt eerder een GTN ontwikkelde.

Indien er reeds twee voorgaande molazwangerschappen waren stijgt het risico op een derde tot 15 à 20%.

Indien er voor de tweede keer een molazwangerschap wordt vastgesteld of indien uw patiënt een familiale voorgeschiedenis heeft kan genetisch onderzoek aangewezen zijn om te bepalen of er een onderliggende oorzaak gevonden kan worden.

Na een GTN is de kans op een recidief van de voorgaande neoplasie groter dan deze op het ontwikkelen van een nieuwe, onafhankelijke GTN. Een herval treedt meestal op binnen het eerste jaar na de behandeling, een laattijdig recidief is zeldzaam. Er zijn in de literatuur geen exacte cijfers over het risico op een tweede onafhankelijke GTN na een eerste diagnose. De beschikbare data tonen echter aan dat het risico hoger is dan in de algemene populatie, maar nog steeds vrij laag.
Nauwgezette opvolging van de hCG waardes en de betrokkenheid van een referentiecentrum in de opvolging van deze patiënt is essentieel om dit risico zoveel mogelijk te beperken.
Hierover is er internationaal geen overeenstemming. In de Belgische referentiecentra wordt aangeraden om bij een nieuwe zwangerschap al vroeg een echografie uit te voeren om de aanwezigheid van een levensvatbaar embryo te bevestigen.

Als er geen levensvatbaar embryo gezien wordt is bijkomend pathologisch onderzoek op het curettageweefsel aangeraden.
Slechts een zeer klein percentage vrouwen heeft een erfelijke voorbeschiktheid voor herhaalde molazwangerschappen. Deze zeldzame aandoening staat bekend als ‘familial recurrent hydatidiform mole’ (FRHM).

Vrouwen met FHRM ontwikkelen doorgaans uitsluitend complete molazwangerschappen. In tegenstelling tot de klassieke complete mola’s, die enkel paterneel DNA bevatten, zijn deze molazwangerschappen van biparentele origine.

Genetisch onderzoek heeft aangetoond dat mutaties in de genen NLRP7 en KHDC3L frequent aanwezig zijn bij FRHM, respectievelijk in ongeveer 75-80% en 5-10% van de gevallen. Beide genen spelen een cruciale rol in de maternele imprinting tijdens de oögenese en de vroege embryonale ontwikkeling. Defecten in deze genen leiden tot een afwijkende DNA methylatie, waarbij een paterneel patroon gevolgd wordt in plaats van een materneel. Dit onderstreept het belang van correcte imprinting tijdens de vroege zwangerschap.

Omdat FRHM een autosomaal recessieve aandoening is, zijn vrouwen met deze mutatie doorgaans aangewezen op eiceldonatie voor een succesvolle zwangerschap. Genetisch onderzoek wordt aangeraden bij patiëntes met een tweede of volgende diagnose van een GTD of als patiëntes een familiale voorgeschiedenis van molazwangerschappen vermelden.
U mag altijd de verantwoordelijke personen in uw referentiecentrum contacteren in geval u of uw patiënt vragen of bezorgdheden hebt tijdens of na de opvolgingsperiode voor een molazwangerschap of een GTN. 

De contactpersonen van het Vlaamse referentiecentrum zijn: 

Tine Op de beeck                   016/342 923           tine.opdebeeck@uzleuven.be
Ellen Reynders                        016/342 996           ellen.reynders@uzleuven.be
Joke De Roover                       016/347 419           joke.deroover@uzleuven.be