Ga rechtstreeks naar de inhoud van deze website

Veelgestelde vragen

Wat is een gestationele trofoblastziekte?

Gestationele trofoblastziekten (Gestational trophoblastic disease – GTDs) vormen een groep van heel zeldzame aandoeningen die ontstaan tijdens of na een zwangerschap. 
Ze ontwikkelen zich als er een abnormale groei is van een bevrucht eitje in de baarmoeder. 
De term ‘trofoblast’ verwijst naar de trofoblastcellen, die het bevrucht eitje omringen. Deze cellen helpen het embryo om zich aan de baarmoederwand vast te hechten en ontwikkelen later tot de placenta.

Er zijn twee grote types binnen de GTDs:  
 
  • Hydatidiforme mola (molazwangerschap):
Dit is de meest voorkomende vorm en vertegenwoordigt ongeveer 80% van alle diagnoses. 
Het gaat om een goedaardige aandoening, wat betekent dat er geen sprake is van kanker. 
Het wordt echter wel beschouwd als pre-maligne, omdat het soms kan ontwikkelen naar een kwaadaardige vorm. Zelfs wanneer dit gebeurt blijft de aandoening doorgaans zeer goed behandelbaar. 
(Meer informatie over dit type kan in de volgende sectie gevonden worden)
 
  • Gestationele trofoblastziekten (GTN):
Dit is een zeldzamere, kwaadaardige vorm van GTD. 
Ondanks het feit dat dit een kanker is zijn de vooruitzichten zeer goed. Met een aangepaste behandeling en zorgvuldige opvolging kan deze aandoening in de meeste gevallen volledig genezen worden.

Informatie over de verschillende soorten trofoblastziekten

Een molazwangerschap maakt deel uit van de groep van Gestationele trofoblastziekten (GTDs). 
Het is een zeldzame aandoening die in Europa voorkomt bij ongeveer 1 op 1,000 zwangerschappen. 

Een molazwangerschap ontstaat door een probleem tijdens de bevruchting. Bij een normale bevruchting wordt een eitje bevrucht door 1 zaadcel, waarna het bevruchte eitje zich ontwikkelt tot zowel de placenta als het embryo.

Bij een molazwangerschap is er echter een genetisch onevenwicht waardoor het bevruchte eitje abnormaal begint te groeien. In plaats van te ontwikkelen zoals in een normale zwangerschap deelt het weefsel oncontroleerbaar en vormt het met vocht gevulde cystes. Hierdoor krijgt het weefsel het uitzicht van een druiventros in de baarmoeder.

Er bestaan twee types molazwangerschappen, afhankelijk van wat er misloopt tijdens de bevruchting:
 
  • Complete mola
Bij een complete mola bevat het eitje geen genetisch materiaal (DNA) van de moeder. Dit DNA kan verloren gegaan zijn tijdens de ontwikkeling van het eitje in de eierstok of op het moment van de bevruchting. 
Omdat het eitje geen genetisch materiaal van de moeder bevat, zijn er twee mogelijke afwijkingen die tijdens de bevruchting kunnen plaatsvinden:
 
  • In de meeste gevallen wordt het eitje bevrucht door 1 zaadcel. Omdat de bevruchte eicel 46 chromosomen nodig heeft om te ontwikkelen zullen de 23 chromosomen uit de zaadcel verdubbeld worden tot een volledige set van 46 chromosomen.
     
  • In zeldzame gevallen kan het eitje bevrucht worden door twee zaadcellen die elk 23 chromosomen aanbrengen. In dit geval heeft het eitje dus een volledige set van 46 chromosomen.
     
Omdat er geen genetisch materiaal van de moeder aanwezig is, kan het eitje niet normaal verder ontwikkelen tot een embryo en een placenta. Het begint in plaats daarvan oncontroleerbaar te delen en vormt clusters van met vocht gevuld cystes binnen de baarmoeder.

In de meeste gevallen is verwijdering van het molaweefsel voldoende om de aandoening te genezen, maar:
 
  • In ongeveer 15-20% van de vrouwen groeit het molaweefsel verder uit tot een post-molaire gestationele trofoblastische neoplasie
     
  • Binnen deze groep zal bij ongeveer 3% een choriocarcinoom ontstaan, een zeldzame maar kwaadaardige vorm van gestationele trofoblastziekten
     
(Meer informatie over deze types kunt u vinden in de sectie “Wat is een GTN?”).

In zeer zeldzame gevallen kan er een tweelingzwangerschap aanwezig zijn waarbij één lid een complete mola is en het andere een normaal embryo. Helaas eindigen de meeste van deze zwangerschappen in een miskraam. Een levende geboorte van het gezonde lid wordt gezien in slechts ongeveer 40% van de gevallen.
 
  • Partiële mola
Een partiële mola ontstaat als een eitje bevrucht wordt door twee zaadcellen tegelijkertijd. Als gevolg heeft het bevruchte eitje een set van 69 chromosomen, in plaats van de normale 46. Dit genetisch onevenwicht zorgt ervoor dat de zwangerschap zich niet normaal kan verderzetten.
Soms kan er tijdens een echografie toch een embryo gezien worden, maar deze heeft altijd ernstige afwijkingen en is niet levensvatbaar.
In de meeste gevallen is verwijdering van het molaweefsel voldoende om de aandoening te genezen, maar:
 
  • In ongeveer 15-20% van de vrouwen groeit het molaweefsel verder uit tot een post-molaire gestationele trofoblastische neoplasie
     
  • Binnen deze groep zal bij ongeveer 0.5% een choriocarcinoom ontstaan, een zeldzame maar kwaadaardige vorm van gestationele trofoblastziekte 
     
(Meer informatie over deze types kunt u vinden in de sectie “Wat is een GTN?”).

In zeer zeldzame gevallen kan er een tweelingzwangerschap aanwezig zijn waarbij één lid een partiële mola is en het andere een normaal embryo. Helaas eindigen de meeste van deze zwangerschappen in een miskraam. Een levende geboorte van het gezonde lid wordt gezien in slechts ongeveer 40% van de gevallen.  
 
Een gestationele trofoblastische neoplasie (GTN) behoort tot de groep van gestationele trofoblastziekten (GTDs).
Van deze zeer zeldzame aandoening, die voorkomt in ongeveer 1 op de 40,000 tot 1 op de 100,000 zwangerschappen, bestaan er verschillende types.

De diagnose van een GTN wordt gemaakt op basis van:
 
  • de evolutie van de waarde van uw zwangerschapshormoon (hCG)
     
  • en/of het microscopisch onderzoek van weefsel door een patholoog
     
Alle vormen van GTN worden beschouwd als kwaadaardig, dus een vorm van kanker. Toch zijn de vooruitzichten doorgaans zeer goed: met een correcte behandeling en opvolging door een gespecialiseerd team bedraagt de kans op genezing ongeveer 98%. 
 
  • Invasieve mola
     
Dit type ontwikkelt zich voornamelijk vanuit een complete mola, maar het kan zeldzaam ook uit een partiële mola ontstaan. 

Het ontstaat in ongeveer 15-20% van de vrouwen die een complete mola hadden en in ongeveer 3% van de vrouwen die een partiële mola hadden. Het wordt een ‘invasieve’ mola genoemd omdat het molaweefsel in de spierwand van de baarmoeder (het myometrium) groeit.

Hierdoor vormen bloedingen vanuit de baarmoeder een belangrijk symptoom.
Hoewel het beschouwd wordt als een kwaadaardige aandoening spreidt het zich zelden uit buiten de baarmoeder.
De diagnose wordt meestal gesteld door opvolging van de hCG waardes na een molazwangerschap (meer informatie hierover vindt u in de sectie ‘Diagnose’).

Een invasieve mola is over het algemeen heel goed behandelbaar met chemotherapie of chirurgie (meer informatie hierover vindt u in de sectie ‘Behandeling’) 
 
  • Gestationeel choriocarcinoom (GCC)
     
Een choriocarcinoom is een zeldzame vorm van GTN en komt voor in ongeveer 1 tot 9 per 40,000 zwangerschappen. Meestal ontstaat de ziekte uit een molazwangerschap (3% kans na een complete mola en 0.5% na een partiële mola), maar het kan ook ontwikkelen na een miskraam, een geplande abortus of een normale zwangerschap.

Dit type wordt beschouwd als een agressieve tumor, die snel groeit en zich verspreidt naar andere organen.

De klinische symptomen hangen samen met de uitgebreidheid van de ziekte:
 
  • Bloedingen vanuit de baarmoeder treden al op als het abnormale weefsel zich nog beperkt tot de baarmoeder
     
  • Als uitzaaiingen aanwezig zijn, hangen de symptomen meestal samen met de aangetaste organen – meestal zijn dit de longen, de lever, de vagina, de nieren of het centrale zenuwstelsel
     
Een blijvend verhoogde hCG waarde, gecombineerd met uw symptomen, zijn belangrijk voor het stellen van de diagnose (meer informatie hierover vindt u in de sectie ‘Diagnose’).

Ondanks het feit dat deze aandoening kwaadaardig is, is het wel zeer gevoelig voor chemotherapie en meestal volledig te genezen mits de correcte behandeling (meer informatie hierover vindt u in de sectie ‘Behandeling’). 
 
  • Placentale site trofoblastische tumor (PSTT)
     
Dit type GTN is nog zeldzamer en is verantwoordelijk voor ongeveer 2% van alle gevallen. Het ontwikkelt vanuit de cellen rond de plaats waar het embryo innestelt in de baarmoederwand en komt meestal voort vanuit een normale zwangerschap. Het kan echter ook ontstaan na een miskraam, een geplande abortus of een molazwangerschap.

In tegenstelling tot de andere vormen van GTNs zijn PSTTs traag groeiende tumoren waarbij symptomen soms pas opduiken maanden of zelfs jaren na de voorgaande zwangerschap. Het gemiddelde interval tussen de zwangerschap en de diagnose is ongeveer 3.4 jaar.

Een PSTT blijft meestal beperkt tot de baarmoeder, hoewel de cellen wel tot in de spierwand (het myometrium) kunnen groeien. De diagnose wordt meestal gesteld na abnormale bloedingen vanuit de baarmoeder of het uitblijven van normale menstruatie.

De hCG waardes die gemeten worden zijn over het algemeen lager dan in de andere types van GTN (meer informatie hierover vindt u in de sectie ‘Diagnose’).

Deze vorm van GTN is over het algemeen te behandelen, maar ze reageren minder goed op chemotherapie dan de andere types. In het geval dat de chemotherapie onvoldoende effect heeft kan een chirurgische verwijdering van uw baarmoeder (een hysterectomie) nodig zijn als de ziekte zich niet heeft verspreid (meer informatie hierover vindt u in de sectie ‘Behandeling’). 
 
  • Epithelioïde trofoblastische tumor (ETT)
     
Een ETT is een extreem zeldzame vorm van GTN die meestal ontwikkelt na een normale zwangerschap. Een klein percentage ontstaat echter ook uit een molazwangerschap of een spontane miskraam.
Omdat dit een traag groeiende tumor is, is er vaak een lang interval, soms zelfs jaren, tussen de initiële zwangerschap en het ontstaan van symptomen.

De diagnose wordt meestal gesteld na abnormale bloedingen vanuit de baarmoeder of het uitblijven van normale menstruatie.

De hCG waardes die gemeten worden zijn over het algemeen slechts mild verhoogd bij dit type GTN (meer informatie hierover vindt u in de sectie ‘Diagnose’).

Dit type is mogelijks volledig te genezen, maar is minder gevoelig voor chemotherapie dan de andere types van GTN. Als de ziekte zich niet heeft verspreid kan een chirurgische verwijdering van uw baarmoeder (een hysterectomie) nodig zijn (meer informatie hierover vindt u in de sectie ‘Behandeling’).
Een molazwangerschap is in de meeste gevallen een goedaardige aandoening. In een klein aantal gevallen kan deze echter evolueren naar een zogenaamde post-molaire neoplasie (GTN), wat wel een kwaadaardige ziekte is. Dit kan gebeuren als niet al het molaweefsel volledig verwijderd werd en dus verder kan groeien.

Daarom wordt een molazwangerschap vaak omschreven als premaligne (een voorstadium van een kwaadaardige) aandoening.

De exacte oorzaken van deze evolutie zijn nog niet volledig gekend. Wel zijn er een aantal risicofactoren die het risico op het ontwikkelen van een GTN verhogen:
 
  • Leeftijd van de moeder jonger dan 20 jaar of ouder dan 40 jaar
  • Zeer hoge waardes van het zwangerschapshormoon (hCG) voor de curettage (typisch >100,000 IU/L)
  • Een baarmoeder groter dan verwacht voor de zwangerschapsduur
  • Aanwezigheid van theca luteine cystes op de eierstokken
  • Zwangerschapscomplicaties die gelinkt zijn aan verhoogde hCG waardes zoals:
    • Ernstige misselijkheid en braken (hyperemesis gravidarum)
    • Hoge bloeddruk of pre-eclampsie
    • Hyperthyreoïdie (te snel werkende schildklier)
Hoewel GTN een kwaadaardige aandoening is, is het zeer goed behandelbaar. Met optimale behandeling en nauwe opvolging volgens de klinische richtlijnen, kan meer dan 98% van de patiëntes volledig worden genezen (meer informatie over GTNs vindt u in die specifieke sectie).

Diagnose

Veel van de symptomen van een molazwangerschap zijn vrij gelijkaardig aan deze van een normale zwangerschap, zoals ochtendmisselijkheid, vaginale bloedingen of abdominale pijn. Deze overeenkomsten maken het moeilijk om het onderscheid tussen beide te maken in een vroege zwangerschap.
De diagnose wordt meestal gesteld tijdens de eerste echografie. Hierop is het typische beeld van een molazwangerschap een verzameling van vocht-gevulde cystes, wat het uitzicht van een ‘druiventros’ of een ‘sneeuwstorm’ heeft.
 
  • Bij een complete mola is er een grote hoeveelheid cystes aanwezig zonder dat er een embryo gezien wordt
  • Bij een partiële mola kunnen er een embryo en een placenta zichtbaar zijn, maar beide zijn afwijkend gevormd en het embryo is niet levensvatbaar

Vrouwen met een molazwangerschap hebben typisch een waarde van het zwangerschapshormoon (hCG) dat veel hoger ligt dan verwacht voor de zwangerschapduur. Deze verhoogde waarde hangt samen met de ernstige ochtendmisselijkheid, hoge bloeddruk of overactieve schildklier (hyperthyreoïdie) die gezien wordt in sommige patiëntes.

Als er weefsel van een miskraam verzameld werd zal dit standaard altijd onderzocht worden door een patholoog om na te gaan of het gaat om een trofoblastziekte of dat er een andere oorzaak van de miskraam gevonden kan worden.
Wanneer er, op basis van een echografie, een vermoeden bestaat van een molazwangerschap, zijn er bijkomende onderzoeken nodig om de diagnose te bevestigen:
 
  • Bloedonderzoek, inclusief een bepaling van het zwangerschapshormoon (hCG). Dit hormoon wordt in de vroege zwangerschap aangemaakt en is een belangrijke merker voor trofoblastziekten
  • In sommige gevallen wordt ook de werking van de schildklier gecontroleerd. Sterk verhoogde hCG-waarden kunnen namelijk leiden tot een tijdelijke overactiviteit van de schildklier (hyperthyreoïdie)
  • Algemeen klinisch en gynaecologisch onderzoek
  • Echogeleide zuigcurettage om het afwijkende weefsel uit de baarmoeder te verwijderen
  • Tijdens de curettage wordt het aangeraden om via een infuus een geneesmiddel toe te dienen dat de samentrekking van de baarmoeder bevordert (oxytocin)
  • Anti-D prophylaxe moet toegediend worden in rhesusnegatieve patiëntes

In dit stadium is bijkomende beeldvorming doorgaans niet noodzakelijk.

De definitieve diagnose wordt gesteld door microscopisch onderzoek van het weefsel dat tijdens de curettage verwijderd werd. Na registratie zal deze diagnose bovendien nagekeken worden door de experten van het Belgisch Register voor Trofoblastziekten.
Het belangrijkste onderdeel van de opvolging bij trofoblastziektes is de evolutie van de waardes van het zwangerschapshormoon hCG in het bloed.

We begrijpen dat deze herhaalde bloedafnames belastend kunnen zijn in een emotioneel moeilijke periode. Toch is het zeer belangrijk om deze controles strikt volgens het afgesproken schema te laten uitvoeren. Meer informatie over de frequentie waarin u uw bloednames moet laten uitvoeren vindt u in de sectie ‘Opvolging’.

Door de hCG-waardes nauwkeurig op te volgen kan uw medisch team tijdig ingrijpen wanneer dat nodig is. Zo kan men snel vaststellen of:
 
  • een bijkomende curettage nodig is, of
  • de ziekte lijkt te evolueren tot een gestationele trofoblastische neoplasie (GTN)

Een controle echografie kan, indien nodig, uitgevoerd worden ongeveer 15 dagen na de initiële curettage om te bevestigen dat al het trofoblast weefsel verwijderd werd uit uw baarmoeder. Het kan zijn dat er toch nog achtergebleven weefsel gezien wordt. In dat geval zal een expert van het molaregister nagaan of een nieuwe curettage nodig is om het overblijvende weefsel te verwijderen.

Afgezien van de curettage en opvolging van de hCG waardes is er geen andere behandeling nodig voor een molazwangerschap, tenzij er complicaties zijn zoals een evolutie naar een gestationele trofoblastische neoplasie (GTN). Meer informatie hierover vindt u in de onderstaande secties.
Na de diagnose van een hydatidiforme molazwangerschap is een nauwgezette opvolging van het zwangerschapshormoon (hCG) noodzakelijk. Meer informatie hierover vindt u in de sectie ‘Opvolging’. 

Als de hCG waardes onvoldoende dalen of terug beginnen te stijgen, wordt vermoed dat de aandoening zich verder ontwikkeld heeft tot een meer actieve vorm, een gestationele trofoblastische neoplasie (GTN). 
Wanneer bij u een gestationele trofoblastische neoplasie (GTN) wordt vastgesteld, zijn bijkomende onderzoeken nodig om de uitgebreidheid van de ziekte in kaart te brengen en een gepast behandelplan op te stellen.

De volgende onderzoeken kunnen worden uitgevoerd:
 
  • Algemeen klinisch onderzoek
  • Echografie van de baarmoeder om na te gaan of er nog trofoblastweefsel aanwezig is. Indien dit het geval is kan een nieuwe curettage nodig zijn
  • Gynaecologisch onderzoek om na te gaan of de ziekte zich verspreid heeft naar uw vagina of in uw bekken
  • Bloedonderzoek om de waardes van het zwangerschapshormoon hCG te bepalen
  • Aanvullende beeldvorming (indien nodig). Afhankelijk van uw situatie kan bijkomend onderzoek nodig zijn om na te gaan of de ziekte zich naar andere delen van uw lichaam verspreid heeft:
    • Longfoto (RX), omdat dit de meest voorkomende plaats is waar de ziekte zich naartoe kan verspreiden
    • Een CT scan of een MRI scan van uw buik en bekken
    • Een MRI scan van uw hersenen

Welke onderzoeken er juist gebeuren verschilt van patiënt tot patiënt. Uw behandelend arts zal hierover advies krijgen vanuit het referentiecentrum.

Op basis van de resultaten van de onderzoeken stelt het medische team in het referentiecentrum een persoonlijk behandelplan en opvolgingsschema voor, afgestemd op uw specifieke situatie.
Trofoblastziekten vormen een zeldzame, diverse en heterogene groep aandoeningen. Hierdoor kan de correcte diagnose, opvolging en behandeling uitdagend zijn.

Een correcte diagnose is essentieel omdat het exacte type trofoblastziekte - dus een molazwangerschap, een invasieve mola, een choriocarcinoom, een PSTT of een ETT – het volledige behandelplan bepaalt. Afhankelijk van het specifieke type kan de behandeling sterk verschillen, van eenvoudige opvolging na curettage tot chemotherapie of chirurgie. Daarnaast bepaalt de exacte diagnose ook de aangeraden wachttijd voor een volgende zwangerschap.

Daarnaast is het onderscheid tussen een gewone miskraam of een molazwangerschap niet altijd eenvoudig te maken. Dit verschil is echter essentieel omdat het een directe invloed heeft op de verdere opvolging, prognose en de planning van een eventuele volgende zwangerschap.

Om deze redenen is het aangewezen om een gespecialiseerd referentiecentrum te betrekken bij de diagnose. Dankzij hun expertise kan een correcte diagnose gesteld worden en kunnen zowel over- als onderbehandeling vermeden worden. Zo krijgt elke patiënt optimale en gepersonaliseerde zorg.
Molazwangerschappen en GTNs zijn zeer zeldzame aandoeningen, waardoor de meeste gynaecologen en pathologen maar een handvol patiëntes zien in hun carrière. Als gevolg hiervan hebben ze niet altijd de voldoende expertise om deze aandoeningen correct te diagnosticeren, te monitoren en te behandelen.

Om de zorg voor patiënten met deze aandoeningen te optimaliseren, werd in 2012 het Belgisch Register voor Trofoblastziekten opgericht. Dit register heeft als doel:
 
  • Patiënten en zorgverleners te ondersteunen en het optimaliseren van de diagnose, de behandeling en de monitoring van deze aandoeningen
  • Systematisch pathologisch nazicht door gespecialiseerde referentiepathologen
  • Het opbouwen van een Belgische databank ter bevordering van onderzoek en kennisontwikkeling rond trofoblastziekten

Indien u instemt met de registratie van uw dossier, geeft u toestemming om:
 
  • een staal van het verzamelde weefsel op te vragen. Dit staal zal beoordeeld worden door een ervaren patholoog om de diagnose te bevestigen of aan te passen
  • uw hCG waardes op te volgen om na te gaan of ze dalen zoals verwacht. Indien dit niet het geval is, zullen we uw behandelend arts adviseren over de volgende stappen
  • relevante achtergrondinformatie te verzamelen, met als doel een beter inzicht te krijgen in deze aandoeningen
  • u te contacteren om een korte vragenlijst in te vullen voor onderzoeksdoeleinden

Deelname aan het register is volledig vrijwillig. Alle verzamelde gegevens worden strikt vertrouwelijk behandeld conform de geldende Belgische en Europese regelgeving inzake gegevensbescherming (GDPR).
Indien u instemt met de registratie van uw molazwangerschap of GTN, biedt dit ook voor u een aantal directe voordelen:
 
  • Beoordeling van uw diagnose door een expert
    Een staal van het verzamelde weefsel zal opnieuw nagekeken worden door een patholoog die gespecialiseerd is in gestationele trofoblastziekten. Hierdoor kan de oorspronkelijke diagnose bevestigd of verder verfijnd worden, zodat u de meest nauwkeurige opvolging krijgt.
     
  • Gespecialiseerde medisch opvolging
    Uw dossier zal nauw gevolgd worden door ervaren gynaecologen in een referentiecentrum. Dit garandeert dat u de meest optimale opvolging en, indien nodig, behandeling krijgt, aangepast voor uw specifieke situatie
     
  • Een vast aanspreekpunt
    U ontvangt de contactgegevens van het gespecialiseerde team van het referentiecentrum. Bij hen kunt u altijd terecht in geval van vragen, bezorgdheden of ondersteuning tijdens elke fase van uw opvolging.
We raden aan om dit eerst te bespreken met uw behandelende arts. Het is mogelijk dat de registratie onbedoeld over het hoofd werd gezien bij het stellen van uw diagnose. Dit rechtstreeks bespreken helpt om een goede relatie met uw arts te behouden en zorgt ervoor dat alle betrokken op de hoogte zijn.

Indien uw arts om welke reden dan ook weigert of nalaat om uw dossier te registreren, kunt u uw dossier ook zelf indienen. Dit kan via de knop ‘Registreer een patiënt’ bovenaan deze pagina.

Door registratie van uw dossier verzekert u zich ervan dat het nagekeken wordt door gespecialiseerde gynaecologen en pathologen en dat u de meest correcte diagnose, optimale opvolging en, indien nodig, de meest geschikte behandeling krijgt, afgestemd op uw specifieke situatie.
U mag altijd de verantwoordelijke personen in uw referentiecentrum contacteren in geval u steun nodig hebt na de diagnose van een molazwangerschap of een GTN.

De contactpersonen van het Vlaamse referentiecentrum zijn: 

Tine Op de beeck                016/342 923          tine.opdebeeck@uzleuven.be
Ellen Reynders                      016/342 996          ellen.reynders@uzleuven.be
Joke De Roover                    016/347 419           joke.deroover@uzleuven.be
 
U mag altijd de verantwoordelijke personen in uw referentiecentrum contacteren in geval u vragen of bezorgdheden hebt na de diagnose van een molazwangerschap of een GTN.

De contactpersonen van het Vlaamse referentiecentrum zijn: 

Tine Op de beeck                   016/342 923           tine.opdebeeck@uzleuven.be
Ellen Reynders                         016/342 996           ellen.reynders@uzleuven.be
Joke De Roover                       016/347 419           joke.deroover@uzleuven.be
 

Behandeling

Of u behandeling nodig hebt of niet hangt af van uw exacte diagnose en de evolutie van uw ziekte.
 
  • Molazwangerschap
Na de diagnose van een molazwangerschap vormt een zuigcurettage onder echografische begeleiding de basis van de behandeling. Indien de diagnose gesteld wordt na een curettage die werd uitgevoerd omwille van een miskraam, is een bijkomende ingreep in eerste instantie niet nodig.

Na de curettage worden uw hCG waardes nauw opgevolgd. Dit gebeurt via een bloedname die u minstens om de twee weken zal moeten laten uitvoeren. Bij de meeste patiëntes dalen deze waardes snel tot een normaal niveau.

Wanneer de hCG waardes onvoldoende dalen of opnieuw beginnen stijgen is bijkomend onderzoek aangewezen. Een nieuwe echografie kan nodig zijn om na te gaan of er nog molaweefsel aanwezig is in uw baarmoeder. Indien dit het geval is kan een tweede curettage of een verwijdering via hysteroscopie (waarbij er met een camera in uw baarmoeder gekeken wordt) noodzakelijk zijn. Bijkomend onderzoek is nodig als er geen overblijvend weefsel gevonden wordt of als uw hCG waardes niet normaliseren na een tweede curettage. In dat geval zal een behandeling nodig zijn om het overblijvende abnormale weefsel te verwijderen. Op dat moment wordt uw diagnose aangepast naar een gestationele trofoblastische neoplasie (GTN).

Meer informatie over de criteria en de verschillende soorten behandelingen kunnen in de secties hieronder gevonden worden.
 
  • Gestationele trofoblastische neoplasie (GTN)
Na de diagnose van een GTN is een behandeling meestal noodzakelijk. Aangezien het gaat om complexe en zeldzame aandoeningen, is de tussenkomst van een expertisecentrum essentieel om de meest geschikte behandeling te bepalen.

De keuze van de behandeling hangt af van verschillende factoren, waarbij het exacte type weefsel de belangrijkste bepalende factor is. Daarnaast wordt ook rekening gehouden met onder andere uw leeftijd en uw hCG waardes om u de meest optimale behandeling, hetzij medicatie, hetzij een operatie, te kunnen aanbieden.

Meer informatie over de criteria en de verschillende soorten behandelingen kunnen in de secties hieronder gevonden worden.
Verschillende criteria bepalen mee welke behandeling u zal krijgen voor een persisterende molazwangerschap of een GTN:
 
  • Weefseltype van uw ziekte
  • Leeftijd
  • Type voorgaande zwangerschap
  • Tijdsinterval sinds de voorgaande zwangerschap
  • hCG waarde bij diagnose
  • Tumorgrootte
  • Plaats van metastasen (indien aanwezig)
  • Aantal metastasen (indien aanwezig)
  • Voorgaande chemotherapie voor een GTN (indien aanwezig)

Afhankelijk van de bovenstaande elementen zal het referentiecentrum uw behandelend arts adviseren over de meest geschikte behandeling voor uw specifieke situatie.
Voor de meeste molazwangerschappen is er, afgezien van een curettage, geen bijkomende behandeling meer nodig. Na de initiële curettage uitgevoerd na de diagnose of na een miskraam, kan uw lichaam de overblijvende abnormale cellen meestal zelf opruimen. Om dit proces van nabij op te volgen zullen de hCG waardes in uw bloed minstens éénmaal per twee weken gecontroleerd worden tot de waardes een normaal niveau bereiken.

Indien de hCG waardes onvoldoende dalen of opnieuw beginnen te stijgen is er bijkomend onderzoek nodig om de oorzaak hiervan te achterhalen. In sommige gevallen kan een tweede curettage aangewezen zijn.
Voor een GTN zijn er verschillende behandelingsmogelijkheden. De keuze van de exacte behandeling wordt bepaald door uw specifieke situatie en vereist een advies vanuit een expertisecentrum. Er wordt onder andere rekening gehouden met het soort GTN, uw leeftijd en de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken.

De bepaling van de behandeling van eerste keuze wordt gebaseerd op een risicoscore, de ‘FIGO score’. Hiermee wordt de mogelijke resistentie, dus ongevoeligheid, van uw ziekte tegen een chemotherapie met 1 product (monotherapie) uitgedrukt. Ziektes met een laag risico hebben een score < 7 en worden over het algemeen behandeld met monotherapie. Indien er een hoger risico is zal de behandeling meerdere soorten chemotherapie combineren en toegediend worden in een referentiecentrum.
 
  • Medische behandeling
     
De meest gebruikt behandelingsschema’s zijn:

                 Methotrexaat (MTX)
  • Toegediend via een inspuiting in uw spier op dag 1, 3, 5 en 7
  • Foliumzuur wordt oraal (via de mond) ingenomen op dag 2, 4, 6 en 8, telkens ongeveer 24-30 uur na de toediening van MTX. Hiermee worden de bijwerkingen, voornamelijk misselijkheid, braken en aften in de mond verminderd
  • Elke behandelingsweek wordt gevolgd door een rustweek, zonder behandeling
  • De behandeling wordt elke twee weken herhaald tot de hCG waardes normaliseren. Hierna volgen nog 2 cycli consolidatietherapie om te zorgen dat al het weefsel verwijderd is en de ziekte niet terug opflakkert
  • Afhankelijk van uw situatie, voornamelijk het mogelijke bloedingsrisico, is het mogelijk dat u voor de eerste behandeling(en) opgenomen wordt in het ziekenhuis
     
                  EMA-CO
  • Dit schema combineert verschillende medicijnen:
     
  • Elke behandelingsweek wordt gevolgd door een rustweek, zonder behandeling
  • De behandeling wordt elke twee weken herhaald tot de hCG waardes normaliseren. Hierna volgen nog 2 cycli consolidatietherapie om te zorgen dat al het weefsel verwijderd is en de ziekte niet terug opflakkert
  • U wordt mogelijks opgenomen in het ziekenhuis voor deze behandeling, afhankelijk van de richtlijnen van het ziekenhuis zelf

Het is mogelijk dat u een ander behandelingsschema voorgesteld krijgt aangezien dit afhankelijk is van uw specifieke situatie. In dat geval zal uw behandelende arts dit in meer detail met u bespreken.
 
  • Chirurgische behandeling
     
    • Tweede curettage: dit kan overwogen worden als er nog overblijvend trofoblastweefsel gezien wordt in uw baarmoeder. Voor GTNs geeft dit een genezingspercentage van ongeveer 40%
    • Hysterectomie: dit is een chirurgische verwijdering van uw baarmoeder. Deze behandeling kan overwogen worden bij vrouwen die geen kinderwens meer hebben en waar de ziekte beperkt blijft tot de baarmoeder.
       
Aarzel niet om ons te contacteren indien u vragen hebt over uw behandeling.
De mogelijke bijwerkingen worden bepaald door het soort behandeling dat u krijgt. Niet elke patiënt ondervindt bijwerkingen en, indien wel, kan de intensiteit hiervan sterk verschillend zijn.

Bijwerkingen die kunnen ontstaan bij verschillende behandelingen zijn onder andere:
 
  • Verlaagd aantal witte bloedcellen (neutropenie), wat het risico op infecties kan verhogen
  • Verlaagd aantal bloedplaatjes (thrombocytopenie), wat de bloedstolling kan vertragen
  • Misselijkheid en braken
  • Aften in de mond, een goede mondhygiëne is belangrijk: gebruik een zachte tandenborstel en een milde tandpasta en, als nodig, een mondspoeling op voorschrift
  • Vermoeidheid
  • Effecten op de lever of de nieren, uw arts zal u meer informatie geven over welke medicijnen u moet vermijden tijdens uw behandeling
  • Longontsteking (pneumonitis), contacteer uw arts onmiddellijk indien u kort van adem bent of indien u ademhalingsmoeilijkheden ervaart
  • Haarverlies (alopecia), dit wordt ook gezien bij sommige behandelingen
     
Uw behandelende arts zal de te verwachten nevenwerkingen in meer detail met u bespreken en u advies geven om uw ongemak te beperken. Aarzel niet om contact op te nemen met uw behandelend team indien u vragen of bezorgdheden hebt.
Als uw hCG waardes stijgen of onvoldoende dalen betekent dit dat uw behandeling niet het gewenste effect heeft.

Indien dit het geval is zal er een andere behandeling voorgesteld worden. Uw behandelende arts zal dit uitgebreid met u bespreken.
De opvolging na een GTN is verschillend van deze na een molazwangerschap en is afhankelijk van het risicoprofiel van uw ziekte.
 
  • Laag-risico ziekte

Na behandeling van een laag-risico GTN is een regelmatige opvolging zeer belangrijk. Van zodra uw hCG waardes weer normaal zijn zullen deze maandelijks verder gecontroleerd worden gedurende minstens 1 jaar.

Het is mogelijk dat er op echografie of CT/MRI scan nog afwijkend weefsel gezien wordt. Zolang uw hCG waardes normaal blijven is hier echter geen bijkomende behandeling voor nodig.

Het risico op een terugkeer van de ziekte is klein, maar onder andere afhankelijk van:
 
  •  de exacte diagnose die gesteld werd (het risico ligt bijvoorbeeld iets hoger bij een choriocarcinoom)
  • de aanwezigheid van uitzaaiingen in uw longen bij de diagnose

Als de ziekte toch terugkomt gebeurt dit over het algemeen in het eerste jaar. Daarom is een strikte opvolging in deze periode essentieel. Van jaar 2 tot en met jaar 5 gebeurt de opvolging minstens om de zes maanden.

Wanneer u opnieuw zwanger zou worden na een behandeling voor een GTN verwachten we dat uw hCG waardes ongeveer 6 weken na het einde van de zwangerschap (bevalling, abortus of miskraam) genormaliseerd zijn. Daarom vragen we om op dit moment een extra hCG bepaling te doen om zeker te zijn dat uw GTN niet opnieuw opgeflakkerd is.
 
  • Hoog-risico ziekte
In het verleden was er veel variatie in de richtlijnen over de frequentie en duur van de hCG opvolging na een GTN met een hoger risico. Internationaal is er echter een consensus bereikt om de hCG waardes minstens maandelijks te bepalen gedurende minstens één jaar. Over het algemeen wordt echter een opvolging van 18 maanden aangeraden. Deze maandelijkse opvolging start nadat:
 
  • u uw behandeling afgerond hebt én
  • uw hCG waarde gedurende 4 tot 8 weken normaal gebleven zijn tijdens wekelijkse bloednames.

Als de ziekte toch terugkomt gebeurt dit over het algemeen in het eerste jaar. Daarom is een strikte opvolging in deze periode essentieel. Van jaar 2 tot en met jaar 5 gebeurt de opvolging minstens om de zes maanden.

Wanneer u opnieuw zwanger zou worden na een behandeling voor een GTN verwachten we dat uw hCG waardes ongeveer 6 weken na het einde van de zwangerschap (bevalling, abortus of miskraam) genormaliseerd zijn. Daarom vragen we om op dit moment een extra hCG bepaling te doen om zeker te zijn dat uw GTN niet opnieuw opgeflakkerd is.
U mag altijd de verantwoordelijke personen in uw referentiecentrum contacteren in geval u steun nodig hebt tijdens de behandeling van een molazwangerschap of een GTN.

De contactpersonen van het Vlaamse referentiecentrum zijn: 

Tine Op de beeck                   016/342 923           tine.opdebeeck@uzleuven.be
Ellen Reynders                         016/342 996           ellen.reynders@uzleuven.be
Joke De Roover                       016/347 419           joke.deroover@uzleuven.be
 
U mag altijd de verantwoordelijke personen in uw referentiecentrum contacteren in geval u vragen of bezorgdheden hebt tijdens de behandeling van een molazwangerschap of een GTN.

De contactpersonen van het Vlaamse referentiecentrum zijn: 

Tine Op de beeck                   016/342 923           tine.opdebeeck@uzleuven.be
Ellen Reynders                         016/342 996           ellen.reynders@uzleuven.be
Joke De Roover                       016/347 419           joke.deroover@uzleuven.be
 

Opvolging

Na de bevruchting wordt de eicel omringd door trofoblastcellen. Deze cellen zorgen ervoor dat de eicel zich kan vasthechten aan de baarmoederwand en ontwikkelen zich tot de placenta. Daarnaast produceren ze ook het hormoon hCG dat gebruikt wordt bij zwangerschapstesten.

Bij een molazwangerschap of een gestationele trofoblastische neoplasie (GTN) groeien deze trofoblastcellen ongecontroleerd en produceren ze abnormaal grote hoeveelheden hCG. Hierdoor is dit hormoon een belangrijke merker om de evolutie van de ziekte op te volgen.

Na een curettage of een miskraam zou het hCG niveau  geleidelijk moeten dalen tot normale waardes. Dit komt door de afbraak van het abnormale weefsel. Bij ongeveer 80 à 90% van de patiëntes gebeurt dit spontaan. 

Indien de hCG waardes beginnen te stijgen, te traag zakken of stabiliseren voor ze weer normaal zijn kan dat wijzen op een persisterende mola of een evolutie naar een GTN. In dat geval is er een gespecialiseerde behandeling, meestal chemotherapie, nodig. Om tijdig de juiste behandeling te kunnen starten is regelmatige controle van de hCG waardes via bloednames essentieel.
  • Partiële mola
Om de evolutie van uw hCG waardes op te volgen vragen we u om minstens éénmaal per twee weken een bloedname te laten doen tot uw waardes terug normaal zijn. Wat als een normale waarde beschouwd wordt hangt af van het laboratorium waar u de test laat uitvoeren. 

Van zodra uw waarde genormaliseerd is moet er binnen de maand nog éénmaal een controle uitgevoerd worden om deze normalisatie te bevestigen.

In de meeste gevallen rondt deze bevestigende bloedname de opvolging van een partiële mola af. In sommige gevallen, bijvoorbeeld wanneer het meer dan 8 weken duurt voor uw hCG waarde normaliseert, is het mogelijk dat we toch aanraden om uw hCG waardes nog langer op te volgen.
 
  • Complete mola
Om de evolutie van uw hCG waardes op te volgen vragen we u om minstens éénmaal per twee weken een bloedname te laten doen tot uw waardes terug normaal zijn. Wat als een normale waarde beschouwd wordt hangt af van het laboratorium waar u de test laat uitvoeren. 

Van zodra uw waarde genormaliseerd is, is er toch nog opvolging noodzakelijk via maandelijkse bloedname gedurende 6 maanden.
 
  • Gestationele trofoblastische neoplasie
De opvolging na een GTN is verschillend van deze na een molazwangerschap en is afhankelijk van het risicoprofiel van uw ziekte.
 
  • Laag-risico ziekte
Na behandeling van een laag-risico GTN is een regelmatige opvolging zeer belangrijk. Van zodra uw hCG waardes weer normaal zijn zal dit maandelijks verder gecontroleerd worden gedurende minstens 1 jaar.

Het is mogelijk dat er op echografie of CT/MRI scan nog afwijkend weefsel gezien wordt. Zolang uw hCG waardes normaal blijven is hier echter geen bijkomende behandeling voor nodig.

Het risico op een terugkeer van de ziekte is klein, maar onder andere afhankelijk van:
 
  •  de exacte diagnose die gesteld werd (het risico ligt bijvoorbeeld iets hoger bij een choriocarcinoom)
  • de aanwezigheid van uitzaaiingen in uw longen bij de diagnose

Als de ziekte toch terugkomt gebeurt dit over het algemeen in het eerste jaar. Daarom is een strikte opvolging in deze periode essentieel. Van jaar 2 tot en met jaar 5 gebeurt de opvolging minstens om de zes maanden.

Wanneer u opnieuw zwanger zou worden na een behandeling voor een GTN verwachten we dat uw hCG waardes ongeveer 6 weken na het einde van de zwangerschap (bevalling, abortus of miskraam) genormaliseerd zijn. Daarom vragen we om op deze moment een extra hCG bepaling te doen om zeker te zijn dat uw GTN niet opnieuw opgeflakkerd is.
 
  • Hoog-risico ziekte
In het verleden was er veel variatie in de richtlijnen over de frequentie en duur van de hCG opvolging na een GTN met een hoger risico. Internationaal is er echter een consensus bereikt om de hCG waardes minstens maandelijks te bepalen gedurende minstens één jaar. Over het algemeen wordt echter een opvolging van 18 maanden aangeraden. Deze maandelijkse opvolging start nadat:
 
  • u uw behandeling afgerond hebt én
  • uw hCG waardes gedurende 4 tot 8 weken normaal gebleven zijn tijdens wekelijkse bloednames.

Als de ziekte toch terugkomt gebeurt dit over het algemeen in het eerste jaar. Daarom is een strikte opvolging in deze periode essentieel. Van jaar 2 tot en met jaar 5 gebeurt de opvolging minstens om de zes maanden.

Wanneer u opnieuw zwanger zou worden na een behandeling voor een GTN verwachten we dat uw hCG waardes ongeveer 6 weken na het einde van de zwangerschap (bevalling, abortus of miskraam) genormaliseerd zijn. Daarom vragen we om op deze moment een extra hCG bepaling te doen om zeker te zijn dat uw GTN niet opnieuw opgeflakkerd is.
In een gewone zwangerschap is het hormoon hCG (humaan choriongonadotrofine) voornamelijk aanwezig in zijn intacte ’beta’ vorm. Dit is ook de vorm die gemeten wordt door de standaard zwangerschapstesten.

In een molazwangerschap of een gestationele trofoblastziekte (GTN) maakt het lichaam echter verschillende vormen van hCG aan. Naast de intacte vorm worden ook afwijkende varianten geproduceerd, zoals gefragmenteerde of minder geglycolyseerde varianten. 

Omdat de standaardtesten voornamelijk de normale vorm, die voorkomt in een gewone zwangerschap, detecteren kunnen ze een foutief (vals negatief) resultaat geven in deze aandoeningen. Daarom wordt voor de opvolging altijd het totale hCG bepaald, waarbij alle vormen gemeten worden. 

Om de resultaten goed te kunnen vergelijken is het ook belangrijk dat uw bloednames altijd in hetzelfde laboratorium gebeuren. Op deze manier wordt er telkens dezelfde testmethode en normaalwaardes gebruikt.

In bepaalde gevallen kan u ook gevraagd worden om een urinestaal te laten onderzoeken voor hCG bepaling. Dit gebeurt wanneer we vermoeden dat antilichamen in uw bloed de testresultaten beïnvloeden. Aangezien deze stoffen niet in uw urine voorkomen kan dit onderzoek helpen om de resultaten te bevestigen.
Een opflakkering van een gestationele trofoblastische neoplasie (GTN) of de evolutie van een molazwangerschap naar een GTN kan zich nog voordoen tot enkele maanden na de initiële diagnose. Daarom is het belangrijk om uw hCG waardes gedurende een bepaalde periode verder op te volgen. Zo kunnen we nagaan of deze waardes normaal blijven.
 
  • Partiële mola
Wanneer uw hCG waarde weer genormaliseerd is moet deze normale waarde bevestigd worden met een tweede bloedname binnen de maand.

Als de tweede test de normale waarde bevestigt dan is er meestal geen verdere opvolging noodzakelijk en stopt de opvolging voor een partiële mola.

In de meeste gevallen rondt deze bevestigende bloedname de opvolging van een partiële mola af. In sommige gevallen, bijvoorbeeld wanneer het langer dan 8 weken duurt voor uw hCG waarde normaliseert, is het mogelijk dat we toch aanraden om uw hCG waardes langer op te volgen.

Wanneer u opnieuw zwanger zou worden verwachten we dat uw hCG waardes ongeveer 6 weken na het einde van de zwangerschap (bevalling, abortus of miskraam) genormaliseerd zijn. Daarom vragen we om op dit moment een extra hCG bepaling te doen om zeker te zijn dat het molaweefsel niet opnieuw opgeflakkerd is.
 
  • Complete mola
Het risico op het ontwikkelen van een GTN ligt wat hoger na de diagnose van een complete mola. Daarom is het aangeraden om maandelijks uw hCG waarde te laten bepalen gedurende 6 maanden na de normalisatie van uw waarde.

De startdatum van de opvolgingsperiode hangt af van hoe snel uw hCG waarde normaliseerde:
 
  • Bij normalisatie binnen de 8 weken na de eerste curettage: opvolging tot 6 maanden na de datum van de eerste curettage
  • Bij normalisatie later dan 8 weken na de eerste curettage: opvolging tot 6 maanden na de datum waarop uw hCG voor de eerste maal binnen de normale grenzen lag

Indien uw waarde gedurende deze periode binnen de normale waardes blijft kan de opvolging na 6 maanden stopgezet worden.

Wanneer u opnieuw zwanger zou worden verwachten we dat uw hCG waardes ongeveer 6 weken na het einde van de zwangerschap (bevalling, abortus of miskraam) genormaliseerd zijn. Daarom vragen we om op dit moment een extra hCG bepaling te doen om zeker te zijn dat het molaweefsel niet opnieuw opgeflakkerd is. 
 
  • Gestationele trofoblastische neoplasie
Na de diagnose van een GTN is een langere hCG opvolging noodzakelijk
 
  • Bij een laagrisicosituatie: controle hCG waardes gedurende minstens 12 maanden
  • Bij een hoogrisicosituatie: controle hCG waardes gedurende minstens 18 maanden

Wanneer u opnieuw zwanger zou worden verwachten we dat uw hCG waardes ongeveer 6 weken na het einde van de zwangerschap (bevalling, abortus of miskraam) genormaliseerd zijn. Daarom vragen we om op dit moment een extra hCG bepaling te doen om zeker te zijn dat uw GTN niet opnieuw opgeflakkerd is.
Om uw hCG waardes correct te kunnen opvolgen is het belangrijk dat u niet zwanger wordt vanaf het moment van uw eerste curettage tot het einde van uw opvolgingsperiode.

In de meeste gevallen wordt daarom een oraal contraceptivum (‘de pil’) voorgeschreven.

Als u om medische redenen geen orale anticonceptie mag nemen, of als u een andere methode verkiest, dan zal uw behandelende arts een veilig en doeltreffend alternatief met u bespreken.

Een intra-uterien anticonceptiemiddel (‘een spiraaltje’) kan geplaatst worden zodra uw arts dit medisch verantwoord vindt.
We controleren uw hCG waardes om het verloop van uw molazwangerschap of GTN op te volgen. Zelfs als uw hCG waardes opnieuw genormaliseerd zijn blijft er een klein risico dat de ziekte opnieuw opduikt, voornamelijk in de eerste maanden na de diagnose. Daarom is het belangrijk om uw waardes in deze periode regelmatig te laten controleren.

Aangezien de hCG waardes ook stijgen bij een zwangerschap is het belangrijk om niet opnieuw zwanger te worden tijdens de opvolgingsperiode. Anders kan de ontdekking en behandeling van een eventueel herval vertraagd worden.

Meer informatie over de frequentie van hCG bepalingen en de duur van de opvolging vindt u in de sectie ‘Hoe vaak moet ik mijn hCG waardes laten bepalen?'
Het moment waarop u opnieuw zwanger mag worden hangt af van uw diagnose en het verloop van uw hCG waardes.

Na een partiële mola mag u opnieuw zwanger worden van zodra uw hCG waarde genormaliseerd is en dit met een tweede test bevestigd werd. In sommige gevallen, bijvoorbeeld wanneer het langer dan 8 weken duurt voor uw hCG waarde normaliseert, is het mogelijk dat een langere opvolging aangeraden wordt. Dit betekent ook dat een nieuwe zwangerschap gedurende deze verlengde opvolging uitgesteld moet worden.

Na een complete mola wordt een wachttijd van 6 maanden aanbevolen. Tijdens deze periode worden uw hCG waardes maandelijks gecontroleerd.

Na een gestationele trofoblastziekte wordt een wachttijd van 12 tot 18 maanden na de normalisatie van uw hCG waarde en afronding van uw chemotherapie aanbevolen. De exacte duur is afhankelijk van de risico-inschatting van uw ziekte. Het referentiecentrum zal uw behandelende arts adviseren over welke wachttijd voor u aangeraden wordt.

Meer informatie over de frequentie van hCG bepalingen en de duur van de opvolging vindt u in de sectie ‘Hoe vaak moet ik mijn hCG waardes laten bepalen?'
U mag altijd de verantwoordelijke personen in uw referentiecentrum contacteren in geval u steun nodig hebt tijdens de opvolgingsperiode na molazwangerschap of een GTN.

De contactpersonen van het Vlaamse referentiecentrum zijn: 

 Tine Op de beeck                   016/342 923           tine.opdebeeck@uzleuven.be
 Ellen Reynders                         016/342 996           ellen.reynders@uzleuven.be
 Joke De Roover                       016/347 419           joke.deroover@uzleuven.be
 
U mag altijd de verantwoordelijke personen in uw referentiecentrum contacteren in geval u vragen of bezorgdheden hebt tijdens de opvolgingsperiode na een molazwangerschap of een GTN.

De contactpersonen van het Vlaamse referentiecentrum zijn: 

 Tine Op de beeck                   016/342 923           tine.opdebeeck@uzleuven.be
 Ellen Reynders                         016/342 996           ellen.reynders@uzleuven.be
 Joke De Roover                       016/347 419           joke.deroover@uzleuven.be
 

Toekomstige vooruitzichten

We raden u sterk aan om te wachten met een nieuwe zwangerschap tot uw hCG waardes genormaliseerd zijn en u de aangeraden opvolgingsperiode afgerond hebt. Hierdoor kunnen we een eventueel herval van de ziekte zo snel mogelijk opmerken.

Na een partiële mola mag u opnieuw zwanger worden van zodra uw hCG waarde genormaliseerd is en dit met een tweede test bevestigd werd. In sommige gevallen, bijvoorbeeld wanneer het langer dan 8 weken duurt voor uw hCG waarde normaliseert, is het mogelijk dat een langere opvolging aangeraden wordt. Dit betekent ook dat een nieuwe zwangerschap gedurende deze verlengde opvolging uitgesteld moet worden.

Na een complete mola wordt een wachttijd van 6 maanden aanbevolen. Tijdens deze periode worden uw hCG waardes maandelijks gecontroleerd.

Na een gestationele trofoblastziekte wordt een wachttijd van 12 tot 18 maanden na de normalisatie van uw hCG waarde en afronding van uw chemotherapie aanbevolen. De exacte duur is afhankelijk van de risico-inschatting van uw ziekte. Het referentiecentrum zal uw behandelende arts adviseren over welke wachttijd voor u aangeraden wordt.
Meer informatie over de frequentie van hCG bepalingen en de duur van de opvolging vindt u in de sectie ‘Hoe vaak moet ik mijn hCG waardes laten bepalen’?
De chemotherapeutische behandelingen die gebruikt worden hebben geen invloed op uw vruchtbaarheid en verhogen het risico op aangeboren afwijkingen niet. 

We raden wel aan om, na het einde van uw behandeling, minstens één jaar te wachten voor u opnieuw zwanger wordt. Dit geeft uw lichaam de tijd om eventuele resten van de behandeling volledig te verwijderen en ervan te herstellen. Op die manier kan een nieuwe zwangerschap onder de best mogelijke omstandigheden starten.

Sommige bijwerkingen kunnen langdurig aanhouden, of in zeldzame gevallen, blijvend zijn. Dit is voornamelijk het geval voor neuropathie, een zenuwaandoening die voorkomt als bijwerking van paclitaxel. Paclitaxel wordt soms gebruikt in combinatie met andere behandelingen. Neuropathie uit zich meestal als verminderde gevoeligheid, tintelingen of krampen in uw vingers, tenen of voetzolen. Meestal verbeteren deze klachten geleidelijk aan in de maanden na het einde van de behandeling. Soms is het echter mogelijk dat ze niet volledig verdwijnen.

Als u paclitaxel, etoposide of actinomycine gekregen hebt is het mogelijk dat u uw haar volledig of gedeeltelijk verloren hebt (alopecia). Wanneer uw haar teruggroeit kan het zijn dat het plots een andere structuur heeft. Sluik haar kan bijvoorbeeld krullend terugkomen, of omgekeerd. In sommige gevallen is deze verandering van structuur blijvend.

Aarzel niet om contact met ons op te nemen in geval u vragen hebt over eventuele nevenwerkingen.
Het risico op een nieuwe molazwangerschap of GTN is ongeveer 1%, wat 10 tot 20 keer hoger is dan in de algemene bevolking. Als u reeds twee voorgaande molazwangerschappen had stijgt het risico op een derde tot 15 à 20%.

Indien er bij u voor de tweede keer een molazwangerschap wordt vastgesteld kan u genetisch onderzoek aangeboden krijgen om te bepalen of er een onderliggende oorzaak gevonden kan worden.
Hierover is er internationaal geen overeenstemming. In de Belgische referentiecentra wordt aangeraden om bij een nieuwe zwangerschap al vroeg een echografie uit te voeren om de aanwezigheid van een levensvatbaar embryo te bevestigen.

Als er geen levensvatbaar embryo gezien wordt is bijkomend pathologisch onderzoek op het weefsel na de curettage aangeraden.
Slechts een zeer klein percentage vrouwen heeft een erfelijke voorbeschiktheid op herhaalde molazwangerschappen. Deze zeldzame aandoening staat bekend als ‘familial recurrent hydatidiform mole’ (FRHM) en wordt veroorzaakt door genetische afwijkingen (in NLRP7 of KHDC3L).

Het is belangrijk om uw arts op de hoogte te brengen als één van uw verwanten al een molazwangerschap of een GTN doorgemaakt heeft. Hierdoor kunnen wij u genetische onderzoeken aanbieden en, indien nodig, bijkomend advies over toekomstige zwangerschappen.
U mag altijd de verantwoordelijke personen in uw referentiecentrum contacteren in geval u steun nodig hebt tijdens of na de opvolgingsperiode van molazwangerschap of een GTN.

De contactpersonen van het Vlaamse referentiecentrum zijn: 

 Tine Op de beeck                   016/342 923           tine.opdebeeck@uzleuven.be
 Ellen Reynders                         016/342 996           ellen.reynders@uzleuven.be
 Joke De Roover                       016/347 419           joke.deroover@uzleuven.be
 
U mag altijd de verantwoordelijke personen in uw referentiecentrum contacteren in geval u vragen of bezorgdheden hebt tijdens of na de opvolgingsperiode voor een molazwangerschap of een GTN.

De contactpersonen van het Vlaamse referentiecentrum zijn: 

 Tine Op de beeck                   016/342 923           tine.opdebeeck@uzleuven.be
 Ellen Reynders                         016/342 996           ellen.reynders@uzleuven.be
 Joke De Roover                       016/347 419           joke.deroover@uzleuven.be